Signaleren en begeleiden van kinderen met dyslexie op school.

Dyslexie is de laatste jaren steeds meer een bekend begrip geworden op scholen. Veel scholen in de regio Zeeland en Noord-Brabant werken al met een dyslexieprotocol. In dit protocol moeten scholen vastleggen hoe zij dyslexie willen signaleren en wat hun visie is met betrekking tot de begeleiding van kinderen met dyslexie. Kinderen met een dyslexie-verklaring hebben in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs recht op aanpassingen.

Vroeg signaleren

Het is bekend dat tijdige signalering en interventie in de kleutertijd bij veel kinderen leesproblemen op latere leeftijd kan voorkomen. De moeilijkheid bij een vroege signalering is dat de ontwikkeling van beginnende geletterdheid niet bij alle kinderen op dezelfde manier verloopt. Sommige kleuters leren al zo goed lezen dat ze met AVI-4 naar groep 3 gaan. Anderen kunnen nog helemaal niet lezen, maar leren dat probleemloos in groep 3. Een trage ontwikkeling van beginnende geletterdheid hoeft dus niet altijd tot leesproblemen te leiden!

Lezen

Uit onderzoek blijkt dat kleuters in Nederland aan het eind van groep 2 gemiddeld 8 letters kunnen benoemen. Dit betekent niet dat kinderen die dan nog geen letters kennen ook leesproblemen zullen krijgen. Wel is de kans groter dat er zich problemen zullen gaan voordoen (Wereld van het jonge Kind, april 2002). Kleuters hebben er belang bij met zoveel mogelijk letterkennis naar groep 3 te gaan. Dit maakt het leren lezen eenvoudiger. Het is zinvol om aan het einde van groep 2 aan de hand van een klassenoverzicht aan te geven welke letters de kinderen beheersen en wat de vaardigheden van kinderen zijn op het gebied van het hakken en plakken van klanken.
Juist wanneer bij aanvang van het leesonderwijs de leesontwikkeling nauwgezet wordt gevolgd kan tijdig worden ingegrepen. Als dit niet wordt gedaan kunnen kinderen al snel het gevoel krijgen, dat het niet lukt en plezier in lezen verliezen. Door extra signaleringsmomenten in te bouwen kan dit worden voorkomen. Veel scholen in Brabant en Zeeland werken al met een extra meetmoment rond de herfst in groep 3, de herfstsignalering. Het doel van de herfstsignalering is om na ongeveer 6 weken onderwijs de auditieve vaardigheden, de letterkennis en de decodeervaardigheden na te gaan bij alle leerlingen in de groep. Hierdoor krijgt de leerkracht een zeer gedetailleerd beeld van de leesontwikkeling van alle leerlingen en worden zwakke lezers eerder gesignaleerd dan met toetsen uit de methode. Met de herfstsignalering wordt voorkomen dat kinderen die wel een leesachterstand hebben opgebouwd, maar niet zijn opgevallen bij de leerkracht buiten de boot vallen voor extra begeleiding. Door tijdig en op een speelse manier extra hulp te bieden, bijv. door het doen van taalspelletjes lukt het veel kinderen om het lezen zelf weer op te pakken.

Spelling

Het spellingonderwijs sluit nauw aan bij de leesontwikkeling van de kinderen. Gaat het bij het lezen om het om het uitspreken van een geschreven woord, bij het spellen is het juist andersom: een gesproken woord moet opgeschreven worden. Dit laatste is moeilijker, omdat er meer denkstappen moeten worden genomen.
Het spellingonderwijs start daarom meestal pas in januari groep 3, wanneer de kinderen bekend zijn met korte klinkers en medeklinkers. De leerkracht voor de klas moet goed op de hoogte zijn van het verloop van de normale lees- en spellingontwikkeling en de minimumdoelen die moeten worden bereikt. Door jaarlijks een aantal vaste toetsmomenten in te bouwen kan de leerkracht nagaan welke kinderen deze minimumdoelen niet halen en extra hulp nodig hebben. Dit kan aan de hand van methodegeboden en methodeonafhankelijke toetsen, zoals de CITO.
Kinderen die op één of meer van genoemde toetsen onvoldoende scores behalen behoren tot de risico-groep. Tijdens voortgangsbesprekingen worden deze kinderen ingebracht en zal er een handelingsplan opgesteld moeten worden. In een handelingsplan wordt aangegeven hoe de school de extra hulp organiseert en welke doelen er bereikt moeten worden.

Analyse maken

Naast de toetsscores zal een goede analyse gemaakt moeten worden van het lezen en/of de spelling. Deze analyse kan aanknopingspunten bieden voor verdere begeleiding van kinderen. De analyse van het leesgedrag is erop gericht om helder te krijgen welke leesstrategie een leerling toepast, zodat daar in de begeleiding specifiek aandacht aan kan worden besteed. Bij het lezen hebben we meestal te maken met 3 typen leesproblemen: lezers die spellend lezen en veel fouten maken, spellende lezers met weinig fouten en radende lezers. Ieder type lezer vraagt om een specifieke aanpak.
Ook van het spellingproces kan een analyse worden gemaakt. Dit kan door te observeren hoe het kind een spellingtaak uitvoert, of tijdens een gesprek over aanpakgedrag. De fouten die in verschillende categorieën gemaakt worden geven richting aan het verdere begeleidingstraject.

Begeleiding

Bij de begeleiding van kinderen met lees- en spellingproblemen gaat het niet zozeer om het inzetten van speciaal lesmateriaal. Bij een goede begeleiding kan over het algemeen gebruik gemaakt worden van regulier lesmateriaal. Het gaat er vooral om de nieuwe leerstof goed aan te laten sluiten bij het ontwikkelingsniveau van het kind en op het juiste moment aan te bieden.
Letters en woorden moeten niet in ‘droge’ rijtjes zonder context en zonder uitleg van het doel van de oefeningen worden aangeboden. De leerling moet altijd weten waarom hij iets leert en inzicht hebben in zijn lees- en spellingproces. Hierdoor kan ook de vooruitgang duidelijk gemaakt worden en krijgt een leerling een reëel beeld van zijn mogelijkheden. Veel lezers en spellers maken bewust of onbewust al gebruik van verschillende strategieën. In de begeleiding moet ernaar worden gestreefd zoveel mogelijk strategieën te versterken of expliciet aan te leren.
Naast het verbeteren van de leesvaardigheid is aandacht voor de motivatie een belangrijk aspect in de begeleiding. Zodra het moeite kost om een bepaalde vaardigheid onder de knie te krijgen wordt er van een kind veel extra inspanning gevraagd en gaat de motivatie een rol spelen. Hoe vreemd het ook klinkt, het wordt nogal eens vergeten om aan het kind zelf te vragen wat hij er van vindt. Het kind zelf kan vaak beter dan wie dan ook aangeven waar hij moeite mee heeft en waar hij hulp bij nodig heeft. Door met elkaar in gesprek te gaan kan duidelijk worden wat er leeft bij een kind met lees- en spellingproblemen en hoe hij tegen het leren aankijkt. Samen kan dan worden gezocht naar oplossingen.

Het dyslexieprotocol

In een dyslexieprotocol kan de school aangeven hoe de signalering van lees- en spellingproblemen is georganiseerd, op welke momenten dit gebeurt en hoe de ontwikkeling van kinderen tijdens hun schoolloopbaan wordt gevolgd. Ook wordt er in aangegeven welke aanpassingen op school kunnen worden gerealiseerd voor kinderen met dyslexie.

 

drs. K. van Sparrentak
orthopedagoog

 

Literatuur:

Koning, L. (2000). Lees-dyslexieprotocol.
Lekkerkerk, Pravoo.

Kleijnen, R. en Henneman, K. (2002). Begeleiding van dyslexie in het voortgezet onderwijs.
Remediaal, 2 (4), 11-16.

Koning, L. (2004). Het laatste nieuws over dyslexie.
Lekkerkerk, Pravoo.

Lid van de Nederlandse Vereniging voor Orthopedagogen (NVO).
www.nvo.nl

Lid van de Landelijke Beroepsvereniging voor Remedial Teachers (LBRT).
www.lbrt.nl

Lid van Balans, vereniging voor ouders van kinderen met leer- en gedragsproblemen.
www.balansdigitaal.nl